Overslaan en naar de inhoud gaan

Tien jaar na de moord op Berta Cáceres: GIEI-rapport onthult bedrijfsbelangen en falend toezicht.

Tien jaar na de moord op Berta Cáceres: GIEI-rapport onthult bedrijfsbelangen en falend toezicht. 

PBI roept de internationale gemeenschap op om te waken over de veiligheid van de Burgerraad van Populaire en Inheemse Organisaties van Honduras (COPINH)

Bijna tien jaar na de moord op de Hondurese mensenrechten- en milieuactiviste Berta Cáceres werpt een nieuw internationaal onderzoeksrapport een scherp licht op de structuren die haar dood mogelijk maakten. Op 13 januari 2026 werd het eindrapport gepubliceerd van de Interdisciplinaire Groep van Onafhankelijke Deskundigen (GIEI), waarin wordt geconcludeerd dat de moord op Cáceres het resultaat was van een georganiseerde, door bedrijfsbelangen gemotiveerde misdaad was die ‘voorspelbaar en te voorkomen was’. Het rapport wijst daarbij op de verantwoordelijkheid van de Hondurese staat, bedrijfsactoren en financiële instellingen.

Berta Isabel Cáceres Flores was een inheemse Lenca-leider en medeoprichter van de organisatie COPINH (Consejo Cívico de Organizaciones Populares e Indígenas de Honduras). Ze verwierf internationale bekendheid door haar verzet tegen het waterkrachtproject Agua Zarca, een dam die werd gebouwd zonder vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming van de lokale Lenca-gemeenschappen. Haar activisme bracht haar herhaaldelijk in conflict met zowel bedrijven als de Hondurese autoriteiten. In de nacht van 2 op 3 maart 2016 werd zij in haar woning door gewapende mannen doodgeschoten.

Straffeloosheid en onbeantwoorde vragen

Hoewel de moord op Berta Cáceres internationaal werd veroordeeld en in de jaren na haar dood meerdere uitvoerders zijn veroordeeld, bleef het officiële onderzoek onvolledig. De focus lag vooral op de directe daders, terwijl cruciale vragen over de opdrachtgevers van de moord, de rol van bedrijven en financiers en mogelijke betrokkenheid van staatsactoren grotendeels onbeantwoord bleven. De familie van Cáceres en mensenrechtenorganisaties wezen herhaaldelijk op ernstige tekortkomingen in het strafrechtelijk onderzoek, waaronder het negeren of achterhouden van bewijs en het uitblijven van onderzoek naar financiële en institutionele verantwoordelijkheden. Een internationaal expertenteam concludeerde al in 2017 dat de Hondurese autoriteiten beschikten over voldoende aanwijzingen om de intellectuele verantwoordelijken te identificeren, maar dat hier geen gevolg aan werd gegeven. Het gebrek aan volledige gerechtigheid en de aanhoudende risico’s voor andere activisten versterkten de roep om een onafhankelijk, internationaal ondersteund onderzoek, waaraan de Hondurese staat zich uiteindelijk verbond.

Later stelde de GIEI vast dat het strafrechtelijk onderzoek al vanaf de eerste uren na de moord doelbewust werd belemmerd. Daarbij werd onder meer ingezet op het verspreiden van valse narratieven, het criminaliseren van personen uit de directe omgeving van Berta Cáceres en het toevoegen van misleidend bewijs aan het dossier. Ook bleef een diepgaand onderzoek naar de rol van de aandeelhouders van het Agua Zarca-project, de leiding van DESA en de verantwoordelijkheid van de staat uit.

Onafhankelijk onderzoek

De GIEI werd opgericht op basis van een overeenkomst tussen de Hondurese staat, de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Mensenrechten (CIDH) en vertegenwoordigers van de slachtoffers, waaronder COPINH en CEJIL. Sinds februari 2025 onderzocht de commissie niet alleen de moord op Cáceres, maar ook aanverwante misdrijven en de vraag hoe herstel en schadevergoeding vorm moeten krijgen.

De commissie bestond uit drie internationale experts:

  • Roxana Altholz, hoogleraar internationaal en mensenrechtenrecht aan de University of California, Berkeley
  • Pedro Biscay, expert op het gebied van financiële criminaliteit en voormalig directeur bij de Argentijnse Centrale Bank
  • Ricardo Guzmán, advocaat met meer dan 25 jaar ervaring in onderzoek naar georganiseerde misdaad, drugshandel en geweld in Centraal-Amerika

De onderzoekers kregen volledige toegang tot gerechtelijke dossiers in Honduras en verrichtten aanvullend onderzoek in onder meer Nederland.

  • Bevindingen: Misbruik van ontwikkelingsfinanciering

Uit het GIEI‑rapport blijkt dat een aanzienlijk deel van de internationale financiering voor het Agua Zarca‑project is omgeleid naar activiteiten die niet bedoeld waren voor de bouw van de dam, maar naar systemen die hebben bijgedragen aan geweld, intimidatie en uiteindelijk de moord op Berta Cáceres. Volgens onderzoekers werden middelen uit bronnen zoals de Nederlandse ontwikkelingsbank FMO gebruikt op een manier die niet in overeenstemming was met de doelstellingen van het project en de normen voor sociale en milieubescherming.

FMO was één van de belangrijkste financiers van Agua Zarca via leningen aan DESA, het bedrijf dat verantwoordelijk was voor de uitvoering van het project. Uit analyse van financiële gegevens blijkt dat grote bedragen op rekeningen terechtkwamen die niet overeenkwamen met de contractuele beschrijving van de transactie, wat duidt op gebrekkige controle van geldstromen. In sommige gevallen werden betalingen gedaan aan bedrijven gelinkt aan projectontwikkelaars kort voor belangrijke escalaties in het conflict.

De GIEI identificeerde ook structuren waarin leden van de Atala-familie, met nauwe banden met DESA, direct of indirect betrokken waren bij coördinatie van acties tegen Cáceres en COPINH. Deze structuren combineerden financiële middelen en organisatorische netwerken om informatie te verzamelen, contact te leggen tussen veiligheidsactoren en tegenstanders van het project te observeren.

Het rapport benadrukt dat FMO onvoldoende transparant was over haar betrokkenheid en dat de bank, ondanks herhaalde verzoeken van de commissie om gegevens, niet alle informatie openbaarde die relevant was voor het onderzoek. Tegelijkertijd is uit nationale en internationale documentatie gebleken dat er jarenlang sprake was van zorgen rond FMO’s monitoring van sociale en milieuaspecten van haar investeringen, en dat dit tot kritiek leidde, waaronder klachten en rechtszaken wegens nalatigheid in het monitoren van risico’s op mensenrechtenschendingen.

Gebrekkig toezicht en bredere gevolgen

Dit alles past binnen een breder patroon waarin internationale financiers en publieke instellingen worden bekritiseerd om hun gebrekkige controlemechanismen rond grote infrastructuurprojecten en de risico’s op corruptie en geweld die daarmee gepaard gaan. Mensenrechten‑ en milieuorganisaties hebben bijvoorbeeld lang betoogd dat investeringen in Agua Zarca zijn voortgezet ondanks waarschuwingen over geweld tegen lokale gemeenschappen en schendingen van hun rechten.

Volgens het GIEI‑rapport kan er pas sprake zijn van echte gerechtigheid voor Berta Cáceres als alle betrokken partijen volledige openheid van zaken geven over hun rol, als er stappen worden gezet richting herstel voor de slachtoffers, en als internationale financieringspraktijken zodanig worden aangepast dat mensenrechten zwaarder wegen bij investeringsbeslissingen, met duidelijke waarborgen tegen misbruik van middelen en ondermijning van lokale rechten.

Aanhoudende risico’s en de rol van de internationale gemeenschap

Vanuit PBI Honduras wordt gewaarschuwd dat sinds de moord op Berta Cáceres in 2016 leden van COPINH en de Lenca-gemeenschap van Río Blanco te maken hebben met aanhoudende bewaking, intimidatie, lastercampagnes en pesterijen. Dit wijst op een structureel patroon van aanvallen dat gericht is op het belemmeren van waarheid, gerechtigheid en herstel voor de slachtoffers.

Op 16 juni 2025, tijdens het lopende GIEI-onderzoek, klaagde COPINH het lekken van gevoelige informatie over hun beschermingsmaatregelen aan. Dit incident legde opnieuw de structurele tekortkomingen bloot van het Nationaal Beschermingsmechanisme in Honduras, tekortkomingen die ook door het GIEI zijn vastgesteld.

Tegelijkertijd blijven de structurele oorzaken van het conflict onopgelost. Het gaat daarbij onder meer om het gebrek aan erkenning van het voorouderlijke Lenca-gebied van Río Blanco, de betwiste waterkrachtconcessie voor Agua Zarca en de aanhoudende straffeloosheid van intellectuele en financiële verantwoordelijken. Deze factoren vergroten het risico voor mensenrechtenverdedigers die actief zijn binnen COPINH en de gemeenschap van Río Blanco.

Het GIEI rapporteerde bovendien dat zijn experts tijdens het onderzoek werden geconfronteerd met druk, intimidatie en monitoring. Daarbij werd onder meer melding gemaakt van communicatie via advocaten die handelden namens Daniel Atala en zijn familie, gericht op het belemmeren van het werk van de onderzoekscommissie.

Oproep

Daarom roept PBI de internationale gemeenschap op om het eindrapport en de kernbevindingen van het GIEI breed te verspreiden, de veiligheid van leden van COPINH, de gemeenschap van Río Blanco en de GIEI-experts actief te monitoren en zich krachtig uit te spreken tegen iedere nieuwe bedreiging. Daarnaast wordt opgeroepen om het integrale herstelplan van het GIEI te betrekken bij bilaterale betrekkingen met Honduras en om regelgeving rond mensenrechten- en milieudue diligence te versterken, zodat betrokkenheid van internationale bedrijven en financiële instellingen bij ernstige mensenrechtenschendingen wordt voorkomen.

Tien jaar na haar dood blijft de zaak Berta Cáceres de complexiteit tonen van internationale ontwikkelingsfinanciering in omstreden projecten. De moord laat zien dat economische belangen, gecombineerd met zwakke controle, structurele ongelijkheden en geweld tegen mensenrechtenverdedigers, kunnen samenkomen in tragische en systemische schendingen van rechten.